Antwerpen

Het Chocolademelk-Mysterie van Antwerpen in 1985

’s Morgens vroeg om kwart voor elf ben je door alle high-tech diefstalbeveiligingen al een kwartier verder voor je de motor überhaupt van het slot hebt. Volgens het KNMI was het officieel lente, dus ik besloot optimistisch zonder choke te starten. Na de vierde ronkende mislukking trok ik toch maar aan de zwarte knop wat de boel aanzienlijk versoepelde.

Wat loopt een Harley na een tijdje stilstaan toch prachtig, en rijden doet-ie nog beter. Jammer alleen dat het KNMI er, zoals gewoonlijk, faliekant naast zat: het was verrekte koud. Binnen no-time was de bike warm en ik steenkoud.

Als ik bij Iain aankom, tref ik hem in de keuken aan in een episch gevecht met zijn espressomachine van 500 euro. Waterpomptangen, schroevendraaiers: niets is hem te dol. De schroefdraad van het arme apparaat dacht daar helaas anders over. Met het betere brute geweld geeft de vastzittende filter (schroefmaatje 42) zich uiteindelijk gewonnen. Na een hoop gevloek en provisorische montage blijkt het ding warempel nóg een soort van koffie te produceren ook.

Na een uurtje op de motor richting Antwerpen. We pakken de oude weg, dat scheelt weer wat rijwindkou. Omdat Iain zo nodig naar het Hard Rock Café aan de Groene Lei wil, stel ik hem de volstrekt overbodige vraag:”Weet jij eigenlijk wel waar het is?”

Hierop volgt uiteraard een ontkennend antwoord. Het geluid dat daarbij uit Iains keel komt klinkt overigens meer dan vreemd—maar dat zal wel door de trillingen van de Belgische kinderhoofdjes komen. Je lijkt wel op een Hardtail te zitten in plaats van een Softail. Eenmaal in het centrum spotten we zowaar het enige verkeersbord in heel België dat wél duidelijk is. Twee keer gas geven en we zijn er.

Rillend houden we binnen onze jassen nog even aan. De helmen gaan op een stoel naast ons, met de handschoenen en brillen er tactisch in geparkeerd. Het plan: eerst wat warms te drinken, dan een soepje, en afsluiten met een SUPER BIG hamburger.

Ik bestel koffie, Iain gaat voor de warme chocolademelk. Terwijl we wachten, bestudeer ik onze tafel. De poten hebben allemaal een andere lengte, waardoor het ding vervaarlijk heen en weer deunt. Ik kijk wild om me heen of ik ergens zeventien bierviltjes kan confisqueren om de boel te stabiliseren. Ik zie ze niet, maar Iain vindt het wel best.

De bestelling arriveert snel: een gigantische halve-literbeker chocolademelk voor Iain, koffie voor mij, en de soep die de ober nu op de deinende tafel probeert te manoeuvreren. Dat balanceren kost de beste man zoveel moeite, dat hij de chocolademelk volledig over het hoofd ziet. Zonder te protesteren verdwijnt de complete inhoud van de beker zó in de helm van Iain bovenop zijn handschoenen en bril.

Iain roept direct de Heer aan en besluit ter plekke het Onzevader uit te breiden met een aantal niet-kerkelijke coupletten. Met een kop als een boei neemt de ober de volgelopen helm mee naar de keuken om de schade te herstellen.

Vanuit mijn stoel heb ik perfect zicht op de spoelkeuken. Ik zie hoe de helm, inclusief handschoenen en al, liefdeloos in een emmer water met een flinke scheut Belgische Dubro wordt gedompeld. Na wat stevig heen en weer schudden wordt de helm leeggegooid en… in de magnetron geplaatst. Door de metalen snelsluiting begint het ding direct knetterend te vonken. Daarna volgen de handschoenen, waar het water nog met stralen uitdruipt.

Iain is intussen aan het Wilhelmus begonnen en voegt ook daar eigenhandig een paar coupletten aan toe. Als de ober het spulletje terugbrengt, is het drama compleet. De helm ziet er niet uit, de handschoenen zijn nog zeiknat, maar hey: de rekening wordt ‘aangepast voor het ongemak’.

De terugweg gaat via de Rijksweg lekker snel. Logisch, want de temperatuur is inmiddels wat aangenamer en Iain jaagt zoals gewoonlijk de medeweggebruikers de stuipen op het lijf. Met zijn bekende rijstijl—een beetje trippelen en rechts inhalen over de vluchtstrook—tikken we de 180 kilometer per uur aan. Binnen twintig minuten staan we in Breda.

Bij het eerste stoplicht valt mijn oog ineens op de nek van Iain. Die is opvallend veel bruiner dan de rest van zijn lijf. Ik kijk nog eens goed en zie de verdunde chocolademelk vrolijk vanuit zijn helm zo zijn rug op lopen. Een prachtig gezicht; het werkt sneller dan een zonnebank.

We besluiten in café De Bruine Pij nog wat te gaan drinken. Eenmaal binnen probeert Iain met veel moeite zijn handschoenen uit te sjorren. Als dat na lang zwoegen lukt, blijken zijn handen compleet bruin te zijn afgegeven. Ik merk nog droogjes op dat het wel heel mooi matcht met zijn nek, waarop Lain de inmiddels historisch geworden woorden spreekt:

“GODVER@@#%^$^&*((&$#!”

Het biertje smaakt prima. Ik adviseer Iain bij het afscheid wel om thuis de boel héél grondig schoon te maken. Anders is de lucht in zijn gang over twee dagen niet meer te overzien.