
De VVD en het Koninkrijk der Vergeten Beloften
Er was eens een partij die zichzelf graag presenteerde als de beschermheilige van de hardwerkende Nederlander. Een partij die tijdens verkiezingen door het land trok als een reizend circus vol beloftes, prachtige plannen en folders waarin iedereen erop vooruit zou gaan. Die partij heette de VVD.
Elke vier jaar gebeurde hetzelfde wonder.
Op maandag beloofde de VVD-lagere belastingen.
Op dinsdag beloofde de VVD-minder regels.
Op woensdag beloofde de VVD-steun voor de middenklasse.
Op donderdag beloofde de VVD-grip op immigratie.
En op vrijdag begon de coalitieonderhandeling.
Daarna verdwenen de beloftes sneller dan een bitterbal op een VVD-congres. De hardwerkende middenklasse keek ondertussen verbaasd toe.
- “Maar jullie zouden toch voor ons opkomen?” “Absoluut,” antwoordde de VVD.
- “Wanneer dan?” “Bij de volgende verkiezingen.”
De VVD ontwikkelde in de loop der jaren zelfs een revolutionaire economische theorie. Volgens deze theorie was de middenklasse een soort onuitputtelijke geldboom. Als de overheid geld tekortkwam, schudde men gewoon wat harder aan die boom.
De hardwerkende ondernemer kreeg meer formulieren. De werknemer kreeg hogere lasten. De huizenzoeker kreeg een PowerPoint-presentatie over woningbouw.
En de gepensioneerde kreeg een folder waarin stond dat het allemaal noodzakelijk was. Ondertussen keek Brussel tevreden toe. Want waar andere partijen nog weleens voorzichtig deden over bevoegdheden naar de Europese Unie, stond de VVD vaak klaar als een enthousiaste makelaar.
- “Willen jullie nog wat Nederlandse bevoegdheden erbij?” “Ja hoor.”
- “En nog wat Europese regels?” “Prima.”
- “En misschien een extra richtlijn van vierhonderd pagina’s?” “Doet u er maar twee.”
Wanneer een bezorgde Nederlander vroeg waar al die besluiten eigenlijk werden genomen, kreeg hij het geruststellende antwoord:” Dat wordt Europees afgestemd.” Wat betekende: “Wij weten het ook niet precies meer.”
Ook defensie werd een favoriete hobby. Jarenlang werd er bezuinigd tot de krijgsmacht ongeveer de slagkracht had van een scoutingvereniging met een lekke tent. Maar toen moest er ineens geld bij. Veel geld. Heel veel geld. Zoveel geld dat zelfs de printer op het ministerie begon te zweten. “Waar halen we dat vandaan?” vroeg iemand. “Geen idee,” zei de VVD. “Maar waarschijnlijk niet uit onze eigen verkiezingsprogramma’s.” En zo werd er bezuinigd op van alles wat Nederlanders dagelijks gebruiken, terwijl miljarden door begrotingen vlogen als confetti op Koningsdag. De gemiddelde burger probeerde het nog te volgen.
- “Waarom wordt hier bezuinigd?” “Vanwege de begroting.”
- “Waarom geven we daar meer uit?” “Vanwege de veiligheid.”
- “Waarom stijgen mijn lasten?” “Vanwege de begroting.”
- “Waarom wordt Brussel belangrijker?” “Vanwege de samenwerking.”
- “Waarom zijn verkiezingsbeloften verdwenen?” “Welke verkiezingsbeloften?”
Na jarenlang regeren bereikte de VVD een bijna mythisch niveau van politieke flexibiliteit. Ze konden tegelijkertijd verklaren dat alles beter moest, terwijl ze zelf al jaren verantwoordelijk waren voor hoe het was.Dat is een talent dat normaal alleen voorkomt bij goochelaars en voetbalcommentatoren. En zo leefde de VVD nog lang en bestuurlijk voort. Steeds opnieuw belovend dat de hardwerkende Nederlander centraal stond. Alleen bleek die Nederlander telkens ergens achteraan in de begroting te staan, net tussen “overige posten” en “nader te bepalen maatregelen”.
Maar gelukkig kwamen er weer verkiezingen aan. Dus was er weer hoop. Vooral binnen de VVD. Want daar geloofde men nog heilig in één oude liberale wijsheid:
Een verkiezingsbelofte is als een leaseauto: je hoeft hem niet te houden, alleen aantrekkelijk te presenteren.